Er zat een soort van geruststellende regelmaat in mijn dagen sinds Lola er was. Kennelijk had ik dat nodig, want al vond ik het heerlijk om lekker door de stad te slierten of een stukje te gaan toeren, ik kon net zo gemakkelijk capituleren voor het grote niets . In plaats van lang op mijn bed liggen en regelmatig de deur niet uitgaan, dwong ze mij tot rituelen die mij de nodige frisse lucht opleverden. Vrijwel elke ochtend gingen wij naar het Colonial Dogpark, waar wij minstens een uur bleven. Zelfs een laag sneeuw van 30 centimeter was geen reden om over te slaan en we beperkten ons tot een kort rondje als het heel hard regende en dat deed het niet erg vaak. In het park ontmoetten wij haar vaste speelkameraadjes en ik bouwde aan wat prettige, sociale contacten. Zo was Lola wild van Max, een kruising tussen een herder en een rottweiler. Max was wild en onbesuisd en had een slechte reputatie, maar Lola en ik hielden van zijn fratsen en hij was bovendien erg goodlooking. Zijn vrouwtje was een Duitse, die al 26 jaar in New jersey woonde. Desondanks sprak zij met een slepend en zwaar accent en kon iedereen binnen 3 zinnen raden uit welk land zij afkomstig was. We maakten er een gewoonte van om op gezette tijden in het park te zijn, opdat onze honden met elkaar konden spelen en wij met elkaar konden praten. Vaak was Sue er dan ook. Ik dacht in het begin dat zij dominee was. Zodra zij begon te praten kreeg ik het gevoel naar een zalvende preek te luisteren. Haar volume zwol aan bij elke zin die ze sprak en er verscheen altijd een dotje wittig schuim in haar mondhoeken. Overigens “preekte” zij met een enorme dosis humor en ik werd er altijd vrolijk van haar te zien. Haar hond, Kipper, was een uitermate aardig exemplaar Australische herder. Als er over de weg langs het hondenpark een vrachtwagen reed, rende hij er in hoge snelheid achtera en blafte ondertussen zo hard als hij kon. Later las ik dat dat iets typisch is voor dat ras, gewend als zij zijn aan het hoeden van schapen.

Het leverde altijd vermakelijke taferelen op. Er waren veel prettige honden daar: Pip, Jazz, Boo, Amy, Dodge en al die honden waarvan ik de naam uiteindelijk niet onthouden heb. Lola was dol op elke hond, ook op honden die niet dol op haar waren. Ook voor haar waren sommige lessen in het leven hard en pijnlijk en met een luid ieeeeuw ieeeeuw kwam ze weleens troost zoeken bij mij. Dat gebeurde echter maar zelden; ze was eigenlijk best heel stoer.
Als mijn man op zakenreis was en Colonial Dogpark niet op onze route lag, hielden wij ons vooral op in het hondenpark in Rocky Hill, net ten noorden van Princeton. We waren daar eens in de vroege avond, toen Lola met een harde schreeuw neerstortte en niet meer overeind krabbelde. Geschrokken rende ik op haar af om te zien wat er gebeurd kon zijn, maar ik kon niets aan haar ontdekken. Inmiddels was ze rond een maand of acht en woog al een kilo of 18. Met veel moeite tilde ik haar van de grond op en droeg haar in mijn armen naar de auto. Ik legde haar op de stoel naast mij, waar zij als een zielig schepseltje bleef liggen en haar ogen stonden donker en droevig. Thuis aangekomen droeg ik haar naar boven en legde haar in de grote stoel, die zij zichzelf had toegeëigend. De rest van de avond bewoog zij zich niet en haar laatste rondje werd een drama. Nadat ik haar naar buiten had gedragen voor een laatste plas alvorens de nacht aanbrak, kon zij zich ternauwernood staande houden en zachtjes piepte zij voor zich uit. Ik had het erg met haar te doen.
Gelukkig kon ik de volgende ochtend meteen met Lola naar de Bridgewater Veterinary Hospital, waar zij onderzocht werd door dr. Bruce Levinston. Lola was een vaste klant, want ze was een clowneske hond die zich altijd wel de één of andere moeilijkheid op de hals haalde. Of ze was ergens opgeklommen en viel er vervolgens vanaf en kneusde haar schouder of ze had een hardnekkige mijt te pakken en moest elke twee weken in een bad vol anti-mijt-gif gedompeld worden, scheurde haar teennagel er eens af en was met zes maanden gesteriliseerd. Bovendien had zij een ingreep aan haar oog ondergaan, al bleek dat later niet echt nodig te zijn geweest. Maar zoals de positieve Amerikaan dan placht te zeggen: better safe than sorry… In ieder geval gold dat niet voor de portemonnee, die liep soms aardig leeg in de dierenkliniek.
Dr. Levinston onderzocht Lola grondig en stelde vast dat zij aan panosteïtis leed ofte wel aan groeipijnen. Maar, zoals hij uitlegde, het was een goede ziekte, want een hond raakt immers uitgegroeid en dan verdwijnen de klachten. Het veroorzaakte hevige pijnen in haar ledematen en het “wandelde” van haar ene poot naar de andere. Had ze nu pijn in haar linker achterpoot, volgende keer kon het haar rechter zijn of één van haar voorpoten. En zo was het ook. De volgende paar maanden herhaalde het tafereel zich meermaals en elke keer moest ik haar naar huis dragen. Elke keer kreeg zij een prik tegen de pijn en elke keer moest ze verplicht een paar dagen rust nemen. Maar dokter Levinston hield woord: na haar eerste verjaardag heeft ze er nooit meer last van gehad.
Kort voor Lola’s eerste verjaardag opperde mijn man, dat hij toch wel een enigszins teleurgesteld was in het feit dat Lola niet alle uiterlijke kenmerken had van een raszuivere bulldog. Op mijn “eentje erbij?” reageerde hij tot mijn grote verrassing positief. Ik mocht weer op zoek. Al vrij snel kwam ik op het spoor van Eli, die via zijn wereldse neef een nest puppy’s te koop aanbood. Eli was een Amish boer en zelf deed hij volgens de wetten van de Amish-gemeenschap niet aan radio, televisie, internet, auto’s en andere moderniteiten. Hij woonde in een klein dorp genaamd Salisbury, ongeveer 5 uur rijden van ons huis. Ik maakte een afspraak met neef Mike en in het weekend reden we erheen. Het dorpje lag net ten zuidoosten van Mount Davis, het hoogste punt van deze staat en nog ruim een uur rijden zuidwestelijk van Lancaster County, waar de grootste concentratie Amish woont. Via een stoffige landweg kwamen we eindelijk bij Eli aan. Hij stond al op ons te wachten en aan zijn been hingen drie kleine jongetjes die, net als hun vader, uit de tijd van Ot en Sien leken te komen. Hij nam ons mee naar het weitje voor de stallen en daar kropen 4 kleine hondjes rond. Men zegt altijd, dat je het beste kunt kiezen voor het brutaalste puppy, maar er waren er drie brutaal. Slechts één van hen kroop steeds weg. Dat was de logste en de bangste, dus tegen alle adviezen in kozen we haar. Eli liet ons haar ouders zien, de paardenstallen en daarna namen we afscheid. Onderweg naar huis bedachten we haar naam; ze moest Olive gaan heten, al werd dat Olijfje toen ze enkele maanden later voet op Nederlandse bodem zette.
Zo bang als ze in dat gras in Salisbury voor ons was geweest, zo vrijpostig gedroeg ze zich toen ze ons huis in kwam. Ze liep overal op af, bewonderde zichzelf in de grote spiegel die op de vloer stond, ging er met al het speelgoed vandoor en daagde Lola voordurend uit. Lola vond haar overduidelijk een ongewenste indringster en moest niets van haar hebben. Elke actie van Olive strafte ze meteen af met een grauw, maar dat kleine, ronde bolletje op pootjes was nooit onder de indruk van haar grommende stiefzus. Ze bleef haar uitdagen, jankte nooit als Lola haar ondersteboven liep, probeerde elke keer weer of zij misschien ook met het speelgoed mocht spelen en liet zich nimmer uit het veld slaan. Ze aanbad Lola en liet zich zelfs menigmaal te hard in haar nek bijten. Ik strafte Lola voortdurend en foeterde heel wat af. Net toen ik begon te wanhopen over deze ogenschijnlijk rampzalige combinatie van honden, gaf Lola zich over en begon er de lol van in te zien. Vanaf dat moment groeide er een stevige vriendschap tussen die twee en had ik er nog zelden omkijken naar.
Olijfje ontpopte zich tot de allerliefste hond die ik ooit was tegengekomen. Dik en rond is ze en met een grote rimpel boven haar neus, twee hoektanden die uit haar onderkaak over haar bovenlip steken en met een paar diepe fronsen op haar voorhoofd, lijkt ze een gevaarlijke en humeurige hond te zijn.

Maar wie in haar ogen kijkt, ziet een hond die verliefd lijkt te zijn op alle mensen. Geen gelegenheid laat ze onbenut om kopjes te geven, al doet ze dat een stuk ongenuanceerder dan een kat. Het liefst zit ze op schoot en ze produceert de hele dag geluid. Als ze slaapt, dan snurkt ze de sterren van de hemel en menigeen heeft al verzucht, dat zij hen aan al lang verscheiden Opa’s doet denken. Zij is tevreden, lui, een schrok-op en denkt op gezette tijden, dat zij als jachthond ter wereld is gekomen. Al sjokkend loopt ze naast mij als we uit wandelen gaan, maar zodra zij een kat, een vogel of een konijn ziet, lijkt zij te worden geleid door straalaandrijving en dan is er geen houden meer aan. Lola die van nature niet bijster veel om andere diersoorten geeft, rent dan een meter of 10 met haar mee om vervolgens weer over te gaan tot wat gesnuffel en gescharrel. Olijfje geeft pas op als haar prooi de lucht in verdwijnt of ergens een hol of een boom in rent. Maar zelfs dan kijkt ze om zich heen alsof ze zeggen wil: “Zo, dat hebben we weer mooi gefikst!” En zo is het maar net…
• Lola en Olijfje zijn in november 2005 vanuit Amerika met mij naar Nederland gereisd en daarna hebben we nog een half jaar in Turkije gewoond. De man die ik eindelijk zo ver kreeg om een hond aan te schaffen, is inmiddels mijn ex-man. Hij wilde geen bezoekregeling
• Als de hondjes om welke reden dan ook thuis moeten blijven, is het een voorwaarde om niets rond te laten slingeren. Olijfje heeft al menige schoen, slipper, boek, tijdschrift, haarklem, afstandbediening en zelfs haar eigen rieten mand uit elkaar getrokken. Maar als dergelijke verleidingen niet voortanden zijn, dan is zij heel braaf. Lola is niet meer geïnteresseerd in slopen. Zij ligt als een diva in de oude, leren Chesterfieldstoel en gedraagt zich als een prinses. Dat kan natuurlijk ook niet anders; zij is een prinses!
