Member details
 Show in normal design
Hier deel ik mijn gedachtenspinsels, mijn herinneringen, mijn dromen en mijn zoete wraak. Veelal zullen mijn verhalen een mix zijn van fictie en werkelijkheid, maar altijd met een hoog autobiografisch gehalte.

Heerlijk dat je even langs kwam om me te lezen. Ik waardeer elke reactie die daarop volgt. Alvast mijn hartelijke dank.
Links
 
2 Aug, 13:25
Vanaf nu plaats ik mijn blogs alleen nog op Blogs van Edel. Wie er nieuwsgierig naar is, is uiteraard van harte welkom zich hiervoor aan te melden.
Van de jaren die volgden is er niet bijster veel blijven hangen. Ik weet dat ik gedurende vijf jaar het speelgoed van mijn broer was, maar ik onderging het gelaten en had er schijnbaar geen moeite mee. Natuurlijk sprak ik er met niemand over, want ik had een grote hang naar liefde en men prees mijn zachtaardige karakter vaak. Het werd me zwaar te moede als ik eraan dacht dat niemand me meer lief zou vinden. Daar ontleende ik immers mijn bestaansrecht aan. Ik was geen geliefd kind bij mijn klasgenoten en had slechts een enkele vriendin, dus ik liet me er veel aan gelegen liggen om dan maar bij volwassenen in de smaak te vallen. Ik stond te boek als een beleefd en net meisje dat altijd met twee woorden sprak, iedereen keurig een hand gaf dat altijd bescheiden bleef. Dat ging ik echt niet op het spel zetten en dus ontwikkelde ik een soort van ongevoeligheid waar ik redelijk wel bij vaarde. Het gebeurde gewoon en ik kon het hooguit mezelf verwijten. Had ik maar niet zo nieuwsgierig moeten zijn en ik was immers akkoord gegaan met alle voorwaarden. Dus bleef ik van hem houden; kon hij er iets aan doen dat iedereen mij anders zou laten vallen?
Mijn broer was al lang en breed getrouwd en woonde in een hofje in de Indische buurt in Den Haag, toen ik een keer zou oppassen op zijn zoontje. Mijn schoonzus, die zwanger was van hun tweede kind, was er niet en hij moest ergens heen, althans, zo luidde het verhaal. Ik zou bij mijn kleine neefje blijven, ik was dertien jaar. Hun huis was piepklein. Beneden was het woonkamertje, klein en compact en in het gangetje was een toilet. Als je op de wc ging zitten, dan kon de deur niet meer dicht, zo krap was het. Er was een smalle, steile trap naar boven waar één slaapkamer was en een mini badkamer. Wat voor verhaal hij opdiste weet ik niet meer en dat doet er ook niet meer toe, maar hij ging niet weg en de baby lag te slapen in de box beneden. Ik moest mee naar boven en dat deed ik. Mijn kleren moesten uit. Dat vond ik wel vervelend, want mijn lichaam veranderde erg in die tijd en ik voelde me onzeker over. Ik kreeg bobbels waar ik kort daarvoor nog van die keurige, platte tepeltjes had gehad en er groeiden een paar schaamharen daar beneden. Alleen het woord al maakte dat ik me daarvoor geneerde; was ik nou toch maar als kind gestorven. Maar hij suste me en vertelde dat hij dat niet erg vond, sterker nog, hij zei dat dat juist mooi was. Dus kleedde ik me voor hem uit en hij kleedde zich ook uit. Het werd de laatste keer dat ik zijn speeltje was. Kort daarna werd ik ongesteld. Van mijn eerste tot aan mijn laatste menstruatie vierde ik mijn eigen feestje; ik heb er altijd weer van genoten.

Ik had er voor kunnen kiezen verder als slachtoffer door het leven te gaan, maar ik vond het allemaal zo al moeilijk en ingewikkeld genoeg. Hoewel ik geen roze wolk van een kindertijd had, was ik eraan gewoon. Zo ook aan mijn dramatische gedachten, mijn hang naar dood en kreupelheid; het stond in feite op één lijn met mijn astma. Al sinds mijn babytijd ging ik van tijd tot tijd hijgend door het leven en ik kijk met reuze veel plezier terug op de opname in het paviljoen in de duinen achter het Juliana Kinderziekenhuis. We gingen destijds eigenlijk nooit met vakantie, dus was dit een welkom uitje. Dat ik daarnaast ook lek geprikt werd en steeds maar met een knijper in mijn neus door allerlei slangen moest blazen, mocht de pret niet drukken. Er waren schildpadjes, waarschijnlijk omdat die geen haar en huidschilfers hadden en ik speelde wat met die harde beesten in de waterbak. Er waren kinderen daar die niets van me wisten en die aardig voor me waren en één van de verpleegsters was mijn engel. Ze kamde elke ochtend mijn haar en vlocht het, wreef zachtjes over mijn rug en kneep liefkozend in mijn wang. Er was die week maar één dissonant. Toen zij op een ochtend pas één vlecht af had en we aan tafel moesten voor het ontbijt, liep de hoofdzuster langs. “Had dat niet even af gemaakt kunnen worden?” bitste ze bars, onderwijl met een vinnig gezicht naar mijn zuster kijkend. Zij mompelde een excuus en ze keek heel schuldbewust. Hoewel ik altijd droomde van een heldenstatus en in mijn fantasie altijd heel goed gebekt was, wendde ik geschrokken mijn blik af en zei helemaal niets tegen dat rotmens. Die dag had ik een hekel aan mezelf en ik heb het mezelf nooit helemaal vergeven dat ik het niet voor mijn engel opnam.
Na een dag of vijf werd ik opgehaald uit het paviljoen om weer naar huis te gaan. Wat de uitslag was van deze observatie heb ik nooit gehoord; er werd verder gewoonweg niet over gepraat.

Schuin tegenover ons woonde een nieuwe familie en zij kwamen in de plaats van dove Peter, die een gehoorapparaatje droeg met een draadje dat naar de bult onder zijn trui leidde. Zij waren anders dan de mensen die al in onze straat woonden en ik hoorde fluisteren dat zij uit een achterbuurt kwamen. Dat was wel ongeveer het ergste wat je kon overkomen: wonen in een achterbuurt. Er waren drie kinderen. Een meisje dat ouder was dan ik en een meisje van mijn leeftijd. Het jongetje was een kleuter. Hij heette Gerard. Ik vond dat een naam voor oude mannen. De moeder van de kinderen schreeuwde met haar harde stem altijd de namen van de meisjes uit het raam als zij thuis moesten komen om te eten: Jooooooséeeeee, Innnnnnn-grid, eeeeeeeeeten! Iets anders heb ik haar nooit horen roepen, alleen dat. De meisjes en ik werden geen vriendinnen. De oudste haatte ik. We liepen elkaar een keer tegen het lijf en zij keek me vals aan. Ik verstijfde al als ik haar zag en was een beetje bang voor haar.
“Je moet tegen je vader zeggen dat hij niet altijd met zijn blote piemel voor het raam moet gaan staan, de viezerik.” Waar ik het lef vandaan haalde weet ik niet, maar zonder na te denken haalde ik uit en sloeg haar met mijn vlakke hand in haar gezicht. Ik schreeuwde tegen haar: “Dat doet mijn vader helemaal niet, stom kind. Mijn vader hééft niet eens een blote piemel. Kijk naar jezelf, jullie komen uit een achterbuurt en zijn ordinair!” Ik was nog niet van de schrik bekomen over mijn heldendaad, toen ik door haar tegen de grond geduwd werd. We trokken aan haren en krabten en sloegen elkaar waar we elkaar raken konden en we schreeuwden woorden die bij mij thuis streng verboden waren. Ik was niet gewend om te vechten en voelde een enorme opluchting toen wij door een oplettende man uit de straat uit elkaar gehaald werden. Hij foeterde ons uit en mopperde iets over “geen damesachtig gedrag” en toen zette ik het op een rennen. Ik vloog de twee trappen op naar huis en kreeg op mijn falie van mijn moeder. Had ik maar niet moeten vechten. “En kijk je kleren nou. Helemaal vies.” Ze vroeg niet waarom ik in gevecht was geraakt. Ik vertelde het ook niet. Stel dat het wel waar was. Ik schaamde me alleen al om het woord bloot uit te spreken. Als ik met blote benen naar buiten wilde, vroeg ik of ik zonder maillot naar buiten mocht, maar het enge B-woord sprak ik nooit uit. En van exhibitionisten had ik nog nooit gehoord…

©Edel
Zondag was de dag waar ik de grootste hekel aan had. Om ons heen woonden godvruchtige mensen. Zij gingen in ieder geval eenmaal naar de kerk op zondag. De meesten gingen naar de hervormde kerk in de straat achter ons, anderen waren katholiek en moesten wat verder de wijk in. Katholieken waren raar, die aanbaden beelden en hingen een kruis aan de muur. Op mijn Christelijke school had ik geleerd dat dat heidens was en met mijn eigen ogen had ik het gelezen: “Gij zult geen afbeeldingen maken.” Bij mijn vriendinnetje dat aan de overkant woonde, hing in elke kamer een crucifix; ik kon mijn ogen nooit van de bijna naakte Jezus afhouden. En er stond op een hoekplankje aan de muur een beeld van de maagd Maria. Aan haar parmantige boezem brandde altijd een kaarsje, altijd! Toch waren haar ouders erg aardig en het was misschien de eerste keer dat mijn kinderlijk vertrouwen op de Here God wankelde, al was ik mij dat toen nog niet zo bewust. Heidenen zagen er in mijn beleving heel anders uit dan meneer en mevrouw P. (“Blief jij ook een boterham met vlokken?” Dat was geen taal voor heidenen!) en ook mijn vriendinnetje was alleen maar zacht en aimabel. In die tijd tekende ik vaak mannen met baarden en zwaarden en piratenlappen voor hun ogen; dát waren pas goddelozen.

Bij ons thuis werd er niet aan zondagen gedaan, alleen als we bij mijn grootmoeder op bezoek gingen. Zij woonde op Scheveningen en ging gekleed in traditionele klederdracht. Klein was ze en ze had altijd een lange, dunne, grijze vlecht die in haar nek lag opgerold in een knotje dat nog net onder haar ijzer uitstak. De boeken, de sierknoppen die aan de voorkant aan het ijzer bevestigd zaten, vond ik net voelsprieten, maar voor de rest vond ik het heel normaal dat zij er zo uitzag. Ze was regelrecht uit het Panorama van Mesdag gestapt en boette vroeger netten. Uit respect voor haar geloof mocht ik nooit zeggen dat we op weg naar huis misschien nog een ijsje zouden kopen, al deden we dat lang niet elke week. Maar op zondag was dat zondig. Mijn vader had zich al als jongeling tegen de kerk gekeerd. Mijn moeder was Luthers van huis uit , maar niet praktiserend. Wij mochten geloven wat we wilden en werden nog fatsoenlijk gedoopt, maar daarna gingen wij niet meer naar de kerk. Nadat mijn oma overleden was en onze wekelijkse uitstapjes naar Scheveningen vervielen, werden mijn zondagen lang, leeg en vervelend. Kinderen speelden niet op straat, al ging er geen zondag voorbij dat ik niet op zoek ging naar een speelkameraadje. Tegen beter weten in. De straat bleef leeg, dus tolde ik alleen en zat wat met mijn blote benen op het portiek. Lekker vond ik dat. De kou van de stenen aan mijn marmeren huid.

Soms maakten wij een uitstapje op zondag. Dan bezochten wij een oom en een tante of een enkel keertje gingen we naar de dierentuin. Blijdorp lag toen nog aan de andere kant van de wereld, dus gingen we naar Wassenaar. Lekker dichtbij. Als we net het hek door waren gelopen, mochten we op de foto. Daarna kochten we pelpinda’s voor de apen. Mijn moeder was dol op de apen. Zelf hield ik meer van de olifanten. Ik fantaseerde er altijd op los in de dierentuin. Dat ik met de dieren kon praten en de olifanten kon berijden. Op meisjes die van paarden hielden keek ik neer, veel te gewoon. Tarzan was mijn held en ik droomde ervan om op een grote, grijze rug door het oerwoud te stappen. Natuurlijk verschool ik mezelf voor dubieuze mannen met tropenhelmen op hun hoofd. Dan slingerde ik mezelf hoog in een woudreus en kwam pas weer te voorschijn als zij terug waren gekeerd naar hun kampementen. Maar ondanks die uitstapjes bleef zondag lange tijd een dag met een bijsmaak. We aten altijd eerder dan op andere dagen. En we aten altijd viezer. Spruitjes. Of prei. Het allerergste was lof, ik werd er misselijk van. Toch nog lof (alleen aan God als ik dát niet hoefde). Van het geluid van kerkklokken krijg ik nog steeds nog kippenvel.

De uitstapjes met mijn vader alleen waren verreweg het leukste. Ik wist niet wat ik het fijnste vond, achterop op de fiets of met bus 23. Gingen we op de fiets, dan letten we altijd op de pantoffel die al sinds altijd onderweg in een struik lag. “De pantoffel!”, riepen we dan luid en lachten. Verderop, als we langs de kazernes reden, dan wisten we nooit of het kanon nou rechts van ons of links van ons achter het hek stond. En we riepen altijd “geef acht” tegen de soldaat die wacht liep. Gingen we met de bus, dan kocht mijn vader voor mij een kinderkaartje. Een slap en roze stukje papier, maar achterop stonden altijd de mooiste verhalen. Het verhaal waar ik het liefst naar luisterde, was het avontuur van Jaap Holm en zijn vrienden. Die gingen ook de duinen in en doolden achter de dwaallichtjes aan. Ze raakten de weg kwijt in de verlaten bunkers en beleefden angstige momenten. Gelukkig liepen de verhaaltjes altijd goed af. Ik vroeg me toen nooit af hoe die lange epistels op zo’n klein papiertje pasten, maar toen ik had leren lezen schafte de HTM de verhaaltjes af… aldus mijn vader.
In de duinen zochten we naar mijn klimboom en als ik daar een tijdje in gespeeld had, dan dronken we iets in het witte, houten keetje aan het begin van de weg naar de watertoren. Daar liepen kippen rond, zo maar langs je benen. Aan de overkant was de gevangenis met er omheen een hoge gemetselde muur. Achter kleine ramen met dikke tralies wisten we de boeven, dus we hadden niets te vrezen. Maar toch kriebelde het in mijn buik. Toch een beetje eng.

Ik was een jaar of acht toen mijn vader aan de wal kwam. Rond diezelfde tijd begon ik mijn onschuld te verliezen. Mijn negen jaar oudere broer die ik verafgoodde, zat bij de marine en was niet veel meer thuis. Eerlijk gezegd heb ik weinig herinneringen aan de tijd die daaraan vooraf ging. Net zoals ik me niet kan herinneren dat mijn andere zus, die dertien jaar ouder is dan ik, nog thuis woonde. Zij was toen al getrouwd en woonde met haar man en baby ergens anders. Op een dag was ik alleen met mijn broer thuis. Hij vertelde mij van een spelletje dat hij weleens deed met ons buurmeisje Mable. Hij en zij waren van dezelfde leeftijd en ik keek hoog tegen hen op. Ik wilde er alles van weten, maar hij wilde het me alleen vertellen als ik het aan niemand zou doorvertellen. “En als ik dat dan wel doe?”, vroeg ik hem, terwijl ik barstte van de nieuwsgierigheid. “Dan zal niemand ooit nog van je houden!” Ik beloofde het nooit door te vertellen, want dat risico wilde ik natuurlijk niet lopen. Maar dat was nog maar het eerste deel van Het Geheim. Als hij het me zou vertellen, dan moest ik wel meedoen en er echt nooit, nooit, nooit met iemand over praten. “Anders worden papa en mama ontzettend boos op je.” Mijn vader zei altijd dat ik zijn oogappel was, al vond ik dat al net zo’n raar woord als ogenblikje. Maar dat het bijzonder was, dat voelde ik wel en dat wilde ik niet kwijt. Ik was toch al zo bang dat ik niet goed genoeg was voor de wereld om me heen. Dus ik gaf hem mijn woord en hij vertelde hoe het spelletje heette. “Voelen” zei hij en op de toon waarop hij dat uitsprak, wist ik dat het wel iets heel speciaals moest zijn.

©Edel
Wat het precies was, weet ik niet, maar er was altijd een raar soort trilling in het huis waar ik geboren ben. Tegenwoordig zou je dat een vibe noemen. Of er toen een woord voor was, weet ik eigenlijk niet. Het kneep altijd een beetje mijn keel dicht en ik was er altijd een beetje op mijn hoede. Kind zijn vond ik een zware opgave, maar volwassen zijn was iets waar ik pas echt benauwd van werd. In mijn kinderjaren fantaseerde ik vaak dat ik nog voor mijn tienerjaren zou sterven. Verhalen als Het Meisje Met De Zwavelstokjes en Alleen Op De Wereld waren mijn favorieten. Kinderen die doodgingen waren in mijn ogen perfect en lieten domme, grote mensen achter in een diepe poel van schuldgevoel: hadden ze maar aardiger moeten zijn of liever of oplettender moeten zijn of hadden ze maar meer moeten lachen. Net goed. In bed ging ik op mijn rug liggen en vouwde mijn handen over mijn borst. Dan oefende ik mijn adem inhouden, maar dat kon ik nooit lang genoeg volhouden om echt dood te lijken. Bovendien had ik astma, dat maakte het nog moeilijker om niet te ademen. Ik tekende mijn eigen grafjes, kruisen erop, engelen erboven, een fietsongeluk en soms, als ik op dreef was, tekende ik een brommerongeluk. Dan zaten mijn vader en mijn moeder erop en dan liet ik een auto komen om ze omver te rijden. Dan bleef ik als wees achter, waardoor iedereen met mij te doen had en mijn dramatische lot betreurde en dat was dan bijna net zo perfect als zelf doodgaan. Toen ik een jaar of vijf was overleed een overbuurmeisje van mijn leeftijd. Stuipjes, hoorde ik iedereen zeggen. Ik was jaloers en wilde ook stuipjes, maar ik had geen idee wat dat voor dingen waren.

De herinneringen aan mijn kinderjaren in de vroege jaren zestig zijn vaak in een diepe tint antraciet gekleurd. De kamer en suite was groot. Wij leefden voornamelijk in de achterkamer. Daar stonden een eettafel met vier stoelen, een dressoir, een kloostertafel met planten erop en zelfs nog een opklapbed achterin tegen de muur. In de ene hoek bij de schuifdeur stond een kolenkachel, zwart met raampjes erin, aan de andere kant was een hoekkast. Aan de muur boven de eettafel hing een groot schilderij met klodders roze, blauw en groen. Het stelde een Italiaans huis voor aan de rand van een meer. Lelijk ding. Op het dressoir stonden een fruitschaal, een sierfles met een gekleurde vloeistof erin en een zilveren gondel met een zilveren gondelier erop. Als je het dekseltje van het zilveren kistje op de gondel opendeed, dan klonk er een melodie: jajum, jajum, jajumoeterzijn… Ik moest van de roeispaan afblijven, dat was geen speelgoed. Het zal ongeveer een jaar geleden zijn dat ik die gondel tegenkwam tussen allemaal opgeslagen, oude rommel. De roeispaan was weg. Na nog even goed naar dat ding gekeken te hebben en aan de sleutel te hebben gedraaid die uit de kiel stak, heb ik hem vastberaden in de vuilnisbak geduwd. Hij ging muzikaal ten onder.

Toen ik eens ziek was en thuis mocht blijven, lag ik op de bank in de voorkamer. Ik merkte dat het leven overdag, tijdens schooltijd, er heel anders uitzag dan het leven na schooltijd. Alleen mijn moeder was thuis. Mijn vader was er meestal niet, ook niet als ik niet ziek was. Hij was kapitein en vaarde in zijn mooie uniform ergens op een schip naar een ander land. Maar mijn zus die 19 jaar ouder was dan ik, woonde met haar graatmagere verloofde in de grote slaapkamer. Mijn zus was heel erg dik en rond en als zij met haar verloofde over straat ging, zeiden de mensen: “Kijk, net de dikke en de dunne.” Overdag werkte zij in een sociale werkplaats als naaister, al wist ik dat toen niet en al helemaal niet wat een sociale werkplaats was. Haar verloofde was een nietsnut, dat hoorde ik tenminste regelmatig zeggen. Hij waste af in de keuken van restaurant Bali op Scheveningen. Misschien was hij wel thuis toen ik ziek was, maar bleef hij in de grote slaapkamer. Dat deed hij meestal als mijn zus niet thuis was. Ik wist niet beter.

Mijn moeder liep door de kamer met een zachte, gestreepte doek. Die haalde ze langs de kast en langs de schoorsteen en langs alle dingen die er in de kamer stonden. De zon scheen en ik zag een straal licht de kamer in vallen door het grote raam met de glas-in-lood-ruitjes erboven. In de zonnestraal zag ik allemaal kleine puntjes krioelen. Ze dansten om elkaar heen en leken nooit te botsen. Het was een ballet in de lucht en ik probeerde steeds één puntje te volgen. Dat ging niet, ik raakte steeds in de war. Ik vond het fascinerend en vroeg aan mijn moeder wat dat voor puntjes waren. “Stof”, antwoordde ze. “Maar waarom alleen in de zonnestraal dan?” Daar wist mijn moeder geen antwoord op. Toch was het niet zo’n moeilijke vraag, ze wist het vast wel. Maar meestal had zij niet veel zin om iets te zeggen. Ik was een nakomertje en alles was al zo vaak gezegd. Dus deed ze er verder het zwijgen toe en werkte verder in huis, klopte met een mooie klank de doek uit boven het balkon en ik lag me te verwonderen over de stilte in huis. Onwezenlijke stilte. Het geluid van de stofzuiger was hard en monotoon, maar toch had het iets prettigs. Het doorbrak de stilte van het alleen zijn, het was één van de hoogtepunten in zo’n dagje thuis op de bank. Hoewel het huishouden mijn bijzondere aandacht niet heeft, heb ik tot op de dag van vandaag geen hekel aan het geluid van stofzuigers. Het geluid van een bezem buiten op de stoep vond ik ook mooi. Ik vond het jammer dat wij op 2-hoog woonden, anders had mijn moeder ook de stoep kunnen vegen.

Als ik heel veel geluk had, kwam de orgelman door de straat. De platte, hoge kar werd geduwd door een man die daar heel erg zijn best voor moest doen. Hij zakte door zijn knieën en bolde zijn rug, strekte zijn armen en helde voorover. Je kon zien dat de kar heel zwaar was. Als hij eenmaal rolde, dan ging het wel weer, maar om het portiek stopte hij en dan bleef hij daar een tijdje staan. Hij moest dus elke keer opnieuw dat zware orgel in beweging krijgen. Een beetje met hem te doen had ik wel. De andere man liep met een rammelend bakje te schudden. Je hoorde er het muntgeld in rinkelen boven de tonen van de muziek uit. Zonde vond ik dat. Dwars door de muziek heen. Maar ik vond het een sensatie als mijn moeder me een dubbeltje gaf. “Gooi maar naar de orgelman”, zei ze dan en dan mocht ik vanuit het zijraam het geld naar beneden gooien. Natuurlijk probeerde ik in zijn bakje te mikken, maar ik gooide er altijd naast. Iedereen trouwens. Ik zag die man altijd gebukt lopen om naar het geld te zoeken. Je zou er een kromme rug van krijgen. Als hij het geld gevonden had en het had opgeraapt, dan keek hij naar boven en stak een vinger tegen zijn pet. Ik begreep dat dat “dankjewel” betekende.

En aan de overkant liepen een paar mannen over het dak tussen de sprietige antennes door. Ze sjouwden met grote, zwarte emmers en andere mannen hadden bezems. De straat rook naar teer. Ik snoof de lucht diep in. Heerlijk. Ik vergat bijna dat ik ziek was, maar de afleiding duurde maar kort. Na de orgelman en de stofzuiger keerde de stilte terug en ik keek vol verlangen uit naar het moment dat mijn zus uit haar werk kwam. Met haar kwam ook de stem terug in huis, een lach, haar verloofde die uit zijn hol kroop en zelfs mijn moeder ging weer praten. Dan zou ik eindelijk weer geknuffeld worden. De vieze groente nam ik op de koop toe.

©Edel
12 Jul, 00:05
Er zat een soort van geruststellende regelmaat in mijn dagen sinds Lola er was. Kennelijk had ik dat nodig, want al vond ik het heerlijk om lekker door de stad te slierten of een stukje te gaan toeren, ik kon net zo gemakkelijk capituleren voor het grote niets . In plaats van lang op mijn bed liggen en regelmatig de deur niet uitgaan, dwong ze mij tot rituelen die mij de nodige frisse lucht opleverden. Vrijwel elke ochtend gingen wij naar het Colonial Dogpark, waar wij minstens een uur bleven. Zelfs een laag sneeuw van 30 centimeter was geen reden om over te slaan en we beperkten ons tot een kort rondje als het heel hard regende en dat deed het niet erg vaak. In het park ontmoetten wij haar vaste speelkameraadjes en ik bouwde aan wat prettige, sociale contacten. Zo was Lola wild van Max, een kruising tussen een herder en een rottweiler. Max was wild en onbesuisd en had een slechte reputatie, maar Lola en ik hielden van zijn fratsen en hij was bovendien erg goodlooking. Zijn vrouwtje was een Duitse, die al 26 jaar in New jersey woonde. Desondanks sprak zij met een slepend en zwaar accent en kon iedereen binnen 3 zinnen raden uit welk land zij afkomstig was. We maakten er een gewoonte van om op gezette tijden in het park te zijn, opdat onze honden met elkaar konden spelen en wij met elkaar konden praten. Vaak was Sue er dan ook. Ik dacht in het begin dat zij dominee was. Zodra zij begon te praten kreeg ik het gevoel naar een zalvende preek te luisteren. Haar volume zwol aan bij elke zin die ze sprak en er verscheen altijd een dotje wittig schuim in haar mondhoeken. Overigens “preekte” zij met een enorme dosis humor en ik werd er altijd vrolijk van haar te zien. Haar hond, Kipper, was een uitermate aardig exemplaar Australische herder. Als er over de weg langs het hondenpark een vrachtwagen reed, rende hij er in hoge snelheid achtera en blafte ondertussen zo hard als hij kon. Later las ik dat dat iets typisch is voor dat ras, gewend als zij zijn aan het hoeden van schapen.no name Het leverde altijd vermakelijke taferelen op. Er waren veel prettige honden daar: Pip, Jazz, Boo, Amy, Dodge en al die honden waarvan ik de naam uiteindelijk niet onthouden heb. Lola was dol op elke hond, ook op honden die niet dol op haar waren. Ook voor haar waren sommige lessen in het leven hard en pijnlijk en met een luid ieeeeuw ieeeeuw kwam ze weleens troost zoeken bij mij. Dat gebeurde echter maar zelden; ze was eigenlijk best heel stoer.

Als mijn man op zakenreis was en Colonial Dogpark niet op onze route lag, hielden wij ons vooral op in het hondenpark in Rocky Hill, net ten noorden van Princeton. We waren daar eens in de vroege avond, toen Lola met een harde schreeuw neerstortte en niet meer overeind krabbelde. Geschrokken rende ik op haar af om te zien wat er gebeurd kon zijn, maar ik kon niets aan haar ontdekken. Inmiddels was ze rond een maand of acht en woog al een kilo of 18. Met veel moeite tilde ik haar van de grond op en droeg haar in mijn armen naar de auto. Ik legde haar op de stoel naast mij, waar zij als een zielig schepseltje bleef liggen en haar ogen stonden donker en droevig. Thuis aangekomen droeg ik haar naar boven en legde haar in de grote stoel, die zij zichzelf had toegeëigend. De rest van de avond bewoog zij zich niet en haar laatste rondje werd een drama. Nadat ik haar naar buiten had gedragen voor een laatste plas alvorens de nacht aanbrak, kon zij zich ternauwernood staande houden en zachtjes piepte zij voor zich uit. Ik had het erg met haar te doen.
Gelukkig kon ik de volgende ochtend meteen met Lola naar de Bridgewater Veterinary Hospital, waar zij onderzocht werd door dr. Bruce Levinston. Lola was een vaste klant, want ze was een clowneske hond die zich altijd wel de één of andere moeilijkheid op de hals haalde. Of ze was ergens opgeklommen en viel er vervolgens vanaf en kneusde haar schouder of ze had een hardnekkige mijt te pakken en moest elke twee weken in een bad vol anti-mijt-gif gedompeld worden, scheurde haar teennagel er eens af en was met zes maanden gesteriliseerd. Bovendien had zij een ingreep aan haar oog ondergaan, al bleek dat later niet echt nodig te zijn geweest. Maar zoals de positieve Amerikaan dan placht te zeggen: better safe than sorry… In ieder geval gold dat niet voor de portemonnee, die liep soms aardig leeg in de dierenkliniek.
Dr. Levinston onderzocht Lola grondig en stelde vast dat zij aan panosteïtis leed ofte wel aan groeipijnen. Maar, zoals hij uitlegde, het was een goede ziekte, want een hond raakt immers uitgegroeid en dan verdwijnen de klachten. Het veroorzaakte hevige pijnen in haar ledematen en het “wandelde” van haar ene poot naar de andere. Had ze nu pijn in haar linker achterpoot, volgende keer kon het haar rechter zijn of één van haar voorpoten. En zo was het ook. De volgende paar maanden herhaalde het tafereel zich meermaals en elke keer moest ik haar naar huis dragen. Elke keer kreeg zij een prik tegen de pijn en elke keer moest ze verplicht een paar dagen rust nemen. Maar dokter Levinston hield woord: na haar eerste verjaardag heeft ze er nooit meer last van gehad.

Kort voor Lola’s eerste verjaardag opperde mijn man, dat hij toch wel een enigszins teleurgesteld was in het feit dat Lola niet alle uiterlijke kenmerken had van een raszuivere bulldog. Op mijn “eentje erbij?” reageerde hij tot mijn grote verrassing positief. Ik mocht weer op zoek. Al vrij snel kwam ik op het spoor van Eli, die via zijn wereldse neef een nest puppy’s te koop aanbood. Eli was een Amish boer en zelf deed hij volgens de wetten van de Amish-gemeenschap niet aan radio, televisie, internet, auto’s en andere moderniteiten. Hij woonde in een klein dorp genaamd Salisbury, ongeveer 5 uur rijden van ons huis. Ik maakte een afspraak met neef Mike en in het weekend reden we erheen. Het dorpje lag net ten zuidoosten van Mount Davis, het hoogste punt van deze staat en nog ruim een uur rijden zuidwestelijk van Lancaster County, waar de grootste concentratie Amish woont. Via een stoffige landweg kwamen we eindelijk bij Eli aan. Hij stond al op ons te wachten en aan zijn been hingen drie kleine jongetjes die, net als hun vader, uit de tijd van Ot en Sien leken te komen. Hij nam ons mee naar het weitje voor de stallen en daar kropen 4 kleine hondjes rond. Men zegt altijd, dat je het beste kunt kiezen voor het brutaalste puppy, maar er waren er drie brutaal. Slechts één van hen kroop steeds weg. Dat was de logste en de bangste, dus tegen alle adviezen in kozen we haar. Eli liet ons haar ouders zien, de paardenstallen en daarna namen we afscheid. Onderweg naar huis bedachten we haar naam; ze moest Olive gaan heten, al werd dat Olijfje toen ze enkele maanden later voet op Nederlandse bodem zette.
Zo bang als ze in dat gras in Salisbury voor ons was geweest, zo vrijpostig gedroeg ze zich toen ze ons huis in kwam. Ze liep overal op af, bewonderde zichzelf in de grote spiegel die op de vloer stond, ging er met al het speelgoed vandoor en daagde Lola voordurend uit. Lola vond haar overduidelijk een ongewenste indringster en moest niets van haar hebben. Elke actie van Olive strafte ze meteen af met een grauw, maar dat kleine, ronde bolletje op pootjes was nooit onder de indruk van haar grommende stiefzus. Ze bleef haar uitdagen, jankte nooit als Lola haar ondersteboven liep, probeerde elke keer weer of zij misschien ook met het speelgoed mocht spelen en liet zich nimmer uit het veld slaan. Ze aanbad Lola en liet zich zelfs menigmaal te hard in haar nek bijten. Ik strafte Lola voortdurend en foeterde heel wat af. Net toen ik begon te wanhopen over deze ogenschijnlijk rampzalige combinatie van honden, gaf Lola zich over en begon er de lol van in te zien. Vanaf dat moment groeide er een stevige vriendschap tussen die twee en had ik er nog zelden omkijken naar. no name


Olijfje ontpopte zich tot de allerliefste hond die ik ooit was tegengekomen. Dik en rond is ze en met een grote rimpel boven haar neus, twee hoektanden die uit haar onderkaak over haar bovenlip steken en met een paar diepe fronsen op haar voorhoofd, lijkt ze een gevaarlijke en humeurige hond te zijn. no nameMaar wie in haar ogen kijkt, ziet een hond die verliefd lijkt te zijn op alle mensen. Geen gelegenheid laat ze onbenut om kopjes te geven, al doet ze dat een stuk ongenuanceerder dan een kat. Het liefst zit ze op schoot en ze produceert de hele dag geluid. Als ze slaapt, dan snurkt ze de sterren van de hemel en menigeen heeft al verzucht, dat zij hen aan al lang verscheiden Opa’s doet denken. Zij is tevreden, lui, een schrok-op en denkt op gezette tijden, dat zij als jachthond ter wereld is gekomen. Al sjokkend loopt ze naast mij als we uit wandelen gaan, maar zodra zij een kat, een vogel of een konijn ziet, lijkt zij te worden geleid door straalaandrijving en dan is er geen houden meer aan. Lola die van nature niet bijster veel om andere diersoorten geeft, rent dan een meter of 10 met haar mee om vervolgens weer over te gaan tot wat gesnuffel en gescharrel. Olijfje geeft pas op als haar prooi de lucht in verdwijnt of ergens een hol of een boom in rent. Maar zelfs dan kijkt ze om zich heen alsof ze zeggen wil: “Zo, dat hebben we weer mooi gefikst!” En zo is het maar net…

• Lola en Olijfje zijn in november 2005 vanuit Amerika met mij naar Nederland gereisd en daarna hebben we nog een half jaar in Turkije gewoond. De man die ik eindelijk zo ver kreeg om een hond aan te schaffen, is inmiddels mijn ex-man. Hij wilde geen bezoekregeling ;-)
• Als de hondjes om welke reden dan ook thuis moeten blijven, is het een voorwaarde om niets rond te laten slingeren. Olijfje heeft al menige schoen, slipper, boek, tijdschrift, haarklem, afstandbediening en zelfs haar eigen rieten mand uit elkaar getrokken. Maar als dergelijke verleidingen niet voortanden zijn, dan is zij heel braaf. Lola is niet meer geïnteresseerd in slopen. Zij ligt als een diva in de oude, leren Chesterfieldstoel en gedraagt zich als een prinses. Dat kan natuurlijk ook niet anders; zij is een prinses!

no nameno name
Mijn dagen waren niet erg gevuld sinds ik in New Jersey woonde. In Nederland had ik mijn zoon van achttien, een leuke vrienden- en kennissenkring en een drukke baan met sympathieke collega’s die mijn dagen vulden. Sinds mijn man ongedurig werd en een baan in een buitenland ambieerde, waren er al verschillende landen voorbij gekomen: Engeland, Noorwegen, Spanje. Elke keer draaide het op niks uit en dus had ik de kans om naar Amerika te gaan niet al te serieus opgevat. Uitgerekend dat land werd het. We zouden er drie maanden blijven, maar het werd alles bij elkaar vijf jaar. In het begin waren mijn dagen stil en leeg. Ik miste mijn zoon, mijn vriendinnen, mijn zussen, mijn werk en mijn gedoe. Bovendien woonden we de eerste maanden in een hotel. Alleen de koffers met inhoud behoorden ons toe, de rest was slechts in bruikleen. Toen duidelijk werd dat de termijn van drie maanden een onbepaald vervolg zou krijgen, kon ik gaan zoeken naar een eigen plek. Dat werd een erg ruim appartement in New Brunswick, waar ik het een tijdje druk mee had. Alles moest aangeschaft worden. Van een pannenlap tot aan meubilair; we waren immers met niks gekomen. Ik reed de hele regio af en leerde de weg erg goed kennen in “winkelland”. Elke stripmall, elke meubelboulevard, alle stoffenwinkels, iedere Linen’s and Things in de wijde omtrek kon ik al snel met mijn ogen dicht vinden. Het draaide er uiteindelijk op uit dat ik overal blindelings mijn weg kon vinden. Zelfs het nabije New York City dat me qua verkeer in eerste instantie had afgeschrokken, kende ik al snel als mijn broekzak en ik kwam er vaak en graag.

Toen het appartement onze stempel droeg na verloop van tijd en ik me had ontpopt tot iemand die mijn dagen vulde met funshoppen en mezelf in het zweet werkte op de sportschool, begon ik meer en meer te denken aan een hond. Ik keek veel naar de programma’s over de ASPCA, waarin de verschrikkelijkste reportages te zien waren over verwaarloosde en mishandelde dieren. Hoewel ik het lot van alle dieren betreurde, voelde ik steeds sterker de drang om voor een hond te zorgen, het liefst een rescue dog. Mijn man wilde er echter niets van weten. Allereerst wilde hij gewoon geen hond en als er al een hond kwam, dan in elk geval toch één zonder verleden. Hij hield niet erg van honden, helemáál niet van dieren eigenlijk en het idee een hond van een ander in huis te halen, daar wilde hij gewoon niets van weten. Schijnbaar respecteerde ik dat, maar van tijd tot tijd roerde ik het onderwerp hond weer aan. Dat het een “tweedehands” hond moest worden had ik al van me af gezet, die concessie doen was niet bepaald moeilijk. Uiteindelijk hebben puppy’s ook iemand nodig. Maar het moest wel een hond worden met een gezicht, dus een boxer leek me de beste keus. Ik dacht regelmatig met weemoed terug aan mijn laatste hond Charlie, die ik via de dierenbescherming had leren kennen. Hij was aangemeld voor uithuisplaatsing en ik weet nog mijn ontzetting over zo veel lelijkheid, toen ik hem voor het eerst zag. Hij was een grote, witte boxer, had vierkante hangogen en één donkerbruin oor en het leek alsof hij in een voortdurende breakdance verwikkeld was. Ondanks zijn hele afschrikwekkende uiterlijk, raakte hij me recht in mijn hart en een uur later zat hij pontificaal bij mij thuis op schoot. We hebben nog jaren van hem genoten en het afscheid van hem was erg zwaar. Het gemis aan die geweldige lieve hond -die er was én ging voordat mijn man zich aanmeldde- bleef aan me knagen. Alleen een andere hond kon het gat vullen dat Charlie achtergelaten had. Dus zette ik mijn missie voort.

Na verloop van enkele maanden was het zo ver en ging mijn man overstag. Er mocht een hond komen, maar een boxer vond hij te groot. Voor iemand die zijn eerste hond zou hebben is dat misschien ook wel zo en ik deed mijn tweede concessie: het moest kleiner dan een boxer zijn. De derde concessie werd me meteen afgedwongen: hond is hond en die hoort in een mand en niet in bed. Ik knikte instemmend, dacht er het mijne van, maar was wederom zeer concessiebereid. Kleiner dan een boxer en wel een expressief gezicht… dat moest dus een Engelse bulldog worden. Vanaf dat moment ging ik serieus de voorbereidingsfase in. Ik kocht boekjes over de bulldog in mijn favoriete boekenwinkel Barnes & Noble, bestelde het ene na het andere boek bij Amazon en leerde al snel, dat het karakter me bijzonder aansprak. Iedere bulldog op de vele foto’s vond ik vreselijk lelijk, maar minstens even grappig. Toen ik eenmaal foto’s ontdekte van puppy’s was er geen houden meer aan. Dat waren toch echt de allerleukste babyhonden die ik in mijn leven had gezien. Ik had een nieuw doel in mijn leven en was niet langer gefocust op alweer een paar nieuwe schoenen kopen of kleding, die vaak ongedragen in één van mijn inloopkasten terecht kwam. Een beetje speurwerk op de computer leverde al snel enkele sites op, waar honden in grote getale werden aangeboden. Jonge honden, oude honden, rashonden, bastaards, voor elk wat wils. Ik bracht dagen door achter het beeldscherm en zag honderden puppy’s aan mijn oog voorbij komen. De één nog schattiger dan de ander, maak daar maar eens een keuze uit. Uiteindelijk, na enkele weken, had ik met moeite vijf puppy’s uitgezocht waaraan ik geen weerstand kon bieden. Vijf lieve, mollige hondjes die geen van allen op redelijke afstand van ons geboren waren. Ik liet ze zien aan mijn man en er was er één die hem bijzonder aansprak. Een klein frutseltje, bruin gestroomd als een tijger en met iets te grote oren. Ze woonde in het noorden van Alabama, algauw een dag of twee rijden bij ons vandaan. Honden konden ook ingevlogen worden, maar dat was voor ons geen optie. Dus schreef ik de fokster een mail, kreeg er eentje terug en zo volgden er enkele dagen over en weer berichtjes naar elkaar. Het draaide erop uit dat mijn man en ik op een vrijdag besloten naar Alabama te rijden om onze Lola, want zo moest ze gaan heten, op te halen en in onze armen te sluiten. Ik was opgewonden als een kind en kocht de halve Pet Shop leeg ter voorbereiding op de gezinsuitbreiding.

Het was september en zoals we al hadden verwacht na een hete zomer, was het nog erg warm. Hoewel de herfst inmiddels officieel begonnen was, voelde het aan als een doorsnee zomer aan de oostkust. De blaadjes aan de bomen vertoonden nog geen tekenen van de Indian Summer, een verschijnsel dat elke keer mijn ogen vol deed lopen van ontroering. Ik verheugde me op de uitbarsting van kleuren die, zoals de legende luid, veroorzaakt werd door de indianen die op de eeuwige jachtvelden aan het jagen waren. De buffels die zij schoten, stortten hevig bloedend neer. Hun bloed stroomt regelrecht het hiernamaals uit over de bossen en de struiken in het ondermaanse en bedekt die met onvoorstelbaar dramatische kleuren. Dieper en lichtgeverder rood had ik nooit eerder gezien, maar ook de geel’s en oranje’s waren van een schoonheid die met geen pen te beschrijven is. Maar zoals gezegd, er waren nog geen tekenen van de naderende herfst. De lucht trilde in de verte, de atmosfeer was zwaar en hoe zuidelijker wij kwamen, hoe zwaarder die werd. Ik hield van die lange, hete zomers die soms wel konden duren tot aan eind november. De luchtvochtigheid die je zo loom maakte, de geur die in de lucht hing, de altijd blauwe luchten, de mooiste zonsondergangen, de rivier die beneden langs ons appartement stroomde, de eindeloze uitgestrekheid van de massa’s bomen.
Wij overnachtten in een motel langs één van de snelwegen in South-Carolina, fristen ons op, aten een smakelijk maal en na een goede nachtrust trokken wij de volgende dag weer vroeg verder. De mijlen schoten onder ons door en mijn opwinding nam toe naarmate wij ons doel naderden. Wij reden inmiddels al door Georgia toen mijn telefoontje rinkelde. Het was de fokster. Een vaag verhaal, maar het kwam erop neer dat haar dochter door een giftige spin gebeten was en aangezien het dichtstbijzijnde ziekenhuis net over de grens van de staat was waardoor wij op dat moment reden, stelde zij voor in de buurt van dat ziekenhuis af te spreken. De laatste 25 mijl de staat Alabama in werden ons dus kwijtgescholden. Hoewel teleurgesteld dat we dan niet de moeder van ons kleine hondje zouden zien, stemden we toe. Veel keuze hadden we niet, we waren al anderhalve dag op weg en dan draai je niet om op deze gronden. Een uur later troffen we haar op een grote parkeerplaats van een Home Depot. Zij pakte de bench uit haar auto en zette die op het asfalt. Door het deurtje kwam niks naar buiten. Ik ging op mijn knieën zitten en keek het donkere kooitje in. Daar zat een piepklein hondje in het verste hoekje en twee angstige oogjes staarden me aan. Met wat moeite hengelde ik haar naar buiten en had alleen nog oog voor dat bruine mormeltje. Het afrekenen en het in ontvangst nemen van de papieren liet ik aan mijn man over. Ik had belangrijkere dingen te doen nu.
Toen Lola onderweg op mijn schoot in slaap viel, maakte ik de envelop open waarin haar stamboom moest zitten. Ik wierp er een blik op en zag meteen dat er iets niet klopte. Dit ging over een wit/rode hond, er stond een verkeerde geboortedatum op en volgens de stamboom bleek Lola bovendien een reu te zijn. Dus belde ik de fokster die geschrokken van de vergissing notie nam. Ze zou direct de goede papieren toesturen, no problem. Het bleek wel een probleem. De stamboom kwam nooit en mijn telefoontjes en mailtjes werden niet meer beantwoord. Maar Lola had onze harten veroverd, met of zonder stamboom. Ze was een wildebras de eerste tijd. Haar zachte mandje sleepte ze door het hele huis en ze rustte niet eer de flarden eraan hingen. Schoenen waren favoriet en elke keer als ze er weer met één aan kwam slepen, pakte ik het af en ruilde het voor een bal of een ander speeltje. Ze ontsnapte uit haar draadbench als ik even niet oplette, vrat de tafel aan en vertoonde dominante trekjes. Van haar voer moest ik afblijven, ze viel direct mijn hand aan. Dus voerde ik haar een week met de hand, brokje voor brokje en daarna kon iedereen haar haar voer afpakken. Ik maakt er een spelletje van om haar op haar rug liggend op schoot te nemen en haar buikje te kriebelen. In het begin vocht en kronkelde ze om los te komen, totdat ze in de gaten kreeg dat dat niet werkte. Pas bij volledige overgave mocht ze van mijn schoot af en vanaf dat moment was ik de alfa-hond. Toch bleef ze regelmatig haar grenzen verkennen. Ze sleepte vrijwel dagelijks het vloerkleed dat in de hal lag de woonkamer in, stal de kussens van de bank en beet de hoekjes van de hoezen af en toen ik een keer uitgebreid stond te koken en even geen oog voor dat kleine monster had, zag ze kans om twee boeken van de tafel te jatten en ze volledig aan flarden te scheuren; ik had er pas één gelezen.
Na enkele maanden werd steeds duidelijker dat Lola weinig trekjes had van een Engelse bulldog. Hoewel ze daar wel het goede formaat voor had en haar borst steeds breder werd, was haar buik te gestroomlijnd en haar kop te klein. Er zat zeker bulldog in, maar nog zekerder was dat één van haar ouders een boxer geweest moest zijn. Zo kreeg ik toch nog een beetje mijn zin.

Lola had rare trekjes en daarmee onderscheidde zij zich van een doorsnee hond. Als we uit wandelen gingen, dan kon zij zich plotseling overgeven aan het doen van een dutje. Er restte mij dan niets anders dan haar op te tillen en naar huis toe te dragen. Regelmatig zag ik mensen in auto’s langzamer gaan rijden als dat weer eens gebeurde. Meer dan eens maakten zij door hun open raampjes dan hun vertedering of hun leedvermaak aan mij duidelijk. Meestal stond ik dan wat schaapachtig te lachen, wat moest ik anders? Ik herinner mij één keer dat zij dat deed voor Dunkin’ Donuts waar net een vrachtwagen gelost werd. Eerst ging ze zitten om geïnteresseerd te volgen wat die mannen aan het doen waren. Ik voelde me dan, zoals wel vaker, enigszins gegeneerd. Alsof ik de nieuwsgierige was van ons tweeën en zij er gelaten bij ging zitten. Toen geeuwde ze een paar keer en krulde zich op op de stoep. De mannen keken me meewarig aan en vroegen: “Zeker al een oude hond?” en ik antwoordde: “Ja, ze is al zes maanden…”
Zindelijk maken was geen groot probleem. We woonden aan een park en bij elke wandeling droeg ik haar naar buiten, zette haar in het gras en beloonde haar met hondensnoepjes en luid gejuich als ze daar haar behoefte deed. Tot op de dag van vandaag doet ze dat alleen op gras en op zand. Er is nog nooit een ongelukje gebeurd op de verharde weg. Maar op een dag gebeurde er iets wonderbaarlijks voor haar. De winter had zijn intrede gedaan en aan de oostkust kan het dan aardig spoken. Op een ochtend werden we wakker en er lag een dik pak sneeuw. Opgewekt maakte ik me klaar om naar buiten te gaan en nam Lola onder mijn arm. Buiten aangekomen zette ik haar in de sneeuw en ze keek totaal ontredderd om zich heen. Haar gras was weg! Ze bleef rondjes draaien en snuffelen en zoeken en was totaal in de war. Ze had duidelijk hoge nood, maar waar moest ze het laten? Het duurde zeker een kwartier eer ze ogenschijnlijk radeloos haar plas liet lopen en keek me aan alsof ze straf verwachtte. Ik had danig met haar te doen, al had ik persoonlijk de grootste schik om deze situatie. Toen we later die dag weer naar buiten gingen waren de sneeuwschuivers aan het werk geweest. Alle sneeuw op de paden lag nu in bergen aan weerszijden daarvan. Ze koos de hoogste berg uit op de route en plaste en poepte daar bovenop. Vanaf nu was dat haar plekje, Lola’s glacier. Toen de dooi intrad bleef ze daar haar behoefte doen en elke dag werd haar bergje een beetje lager en kleiner. Dat heeft ze volgehouden totdat de berg na een week of drie helemaal verdwenen was. Daarna gaf zij zich weer over aan het gras.
Zoals mensen geen ochtendmensen kunnen zijn, bleek Lola geen ochtendhond. Ze wilde uitslapen in haar bench, waarvan inmiddels altijd het deurtje openstond. Als ik haar riep om te gaan wandelen, dan tilde ze niet eens haar kop op en ik moest haar altijd overreden om die kooi uit te komen. Ze dreef dat ver. Terwijl ze bleef liggen wurmde ik haar in haar harnasje en haakte de riem eraan vast. Als dat gebeurd was, dan stapte ze haar bench uit en plofte onmiddellijk weer neer op de vloer. Elke ochtend wilde ze naar de deur gesleept worden. Ik trok haar dan door de kamer en de hal naar de voordeur, terwijl zij op haar buik achter me aan gleed. Meestal keek ze dan triomfantelijk om zich heen en genoot zichtbaar van deze service en de lekkere kriebel aan haar buik. Ze deed dit alleen ’s ochtends, de rest van de dag was ze meer dan bereid om op eigen kracht bij de deur te komen.

Lola is een hond die van autorijden houdt. Zodra ze een portier ergens ziet opengaan, dan is zij er als de kippen bij en wil het liefste meteen naar binnen. Ik neem aan dat dat zijn oorzaak vindt in het feit dat ik in Amerika heel wat met haar rondgetoerd heb. Dagelijks brachten wij enkele uren in de auto door. ‘s Morgens brachten we mijn man naar kantoor, daarna reden we naar één van de hondenparken om een uurtje te spelen, gevolgd door een rit naar de supermarkt en daarna naar huis. We hadden dan pakweg al zo’n anderhalf uur rondgereden en ’s middags herhaalden we dat weer. Van huis naar het park, van het park door naar kantoor en dan weer terug naar huis. En als ik tussendoor zin had om ergens heen te gaan, dan kwamen wij niet onder de auto uit. Lola zat altijd prinsheerlijk naast mij. Het was een grote auto met tussen de voorstoelen een dikke leuning en tussen de leuning en het dashboard ruimte voor twee koffiebekers. Verder een open bak, waarin je wat spullen kwijt kon. Daarin stond altijd Lola’s waterbak, dus kon zij onderweg altijd haar dorst lessen. Soms wilde ik even een winkel in waar honden niet mochten komen en dan liet ik haar, uiteraard met het raam open en nooit als het warm weer was, in de auto achter met vers water en een cookie. Dat ging lange tijd goed, zij wachtte geduldig. Maar kennelijk deed ik dat te vaak naar haar zin, dus toen ik op een dag na een winkelbezoek terugkeerde naar de auto, vond ik een zwaar aangevreten pook en bovendien had ze het klikgedeelte van de veiligheidsgordel onklaar gebeten. Natuurlijk had ik de pest in, maar straffen had weinig zin (volgens de deskundigen). Alleen een heterdaadje kon je bestraffen en dus likte ik mijn wonden, al bromde ik wel tegen haar dat ik het geen stijl vond. Ze keek me aan met haar kop schuin en haar oren nieuwsgierig gespitst. Vanaf dat moment liet ik haar niet meer alleen in de auto, ik was een goed verstaander.

28 Jun, 02:20
Veertien was ik, toen ik bevriend raakte met Erica. We kenden elkaar al sinds ze een paar jaar eerder vanuit Rotterdam in Den Haag was komen wonen. Ze zat bij mij in de klas, maar zoals gewoonlijk stond ik niet bovenaan op het vriendinnenlijstje. Meestal stond ik ergens achteraan in de rij. Ik was eraan gewend, niets nieuws onder de zon. Waarom we uiteindelijk toch naar elkaar trokken, is een proces geweest waar ik me niets van kan herinneren. We vonden elkaar plotseling leuk en er ging geen dag meer voorbij of we waren wel samen, al was het maar voor even. Inmiddels zaten we niet meer in dezelfde klas, niet eens op dezelfde school, maar voor ons was dat van geen enkel belang. Er waren andere dingen die ons bonden. Ontluikende belangstelling voor jongens bijvoorbeeld, stiekem roken, blauwe oogschaduw, mooie kleren.

Erica woonde bij mij om de hoek. Nu waren alle huizen best wel mooi en ruim in mijn oude buurtje, maar het huis van Erica sloeg alles. Haar vader was in dienst van het Hof, laten we zeggen dat hij hovenier was. Waarom is me altijd een raadsel gebleven, maar Erica woonde met haar vader en haar moeder in Paleis Huis ten Bosch. Niet in het hele paleis, maar toch wel in de Wassenaarse vleugel. Bepaald geen arbeiderswoninkje. De keuken alleen al was zo groot, dat een gemiddelde woonkamer erin gepast had en dan was er zelfs nog ruimte over. De voordeur was hoog, breed en erg zwaar en de gangen waren lang en wijd, belegd met marmer. Wit met grijze adertjes, koud en toch warm, je hakken klikten er damesachtig op en we waanden ons prinsessen. Er was ook een grote woonkamer met mooie spullen erin en de slaapkamer van Erica was buitenproportioneel ruim. Ik herinner me nog die enorme spiegel waarin we erg veel keken, want dat doen meisjes van die leeftijd bij voorkeur. We smeerden ons vol met make-up om vervolgens ongezien het paleis uit te sluipen, want haar ouders mochten dat niet weten. We paradeerden door onze buurt, probeerden jongensogen onze kant op te laten kijken en als dat lukte giechelden we. We begonnen voorzichtig met onze heupen te wiegen. We waren bloemen die wilden ontluiken, knoppen die op barsten stonden, maar wisten niet dat we nog niet aan bloeien toe waren. De wereld hadden we in al onze wijsheid wel door: school was vervelend, volwassenen waren belachelijk, The Beatles waren uit, The Stones stonken, Teach-In won het songfestival en Slade was in. Waar ik gewend was aan een balkon, wij woonden op 2-hoog, was er een tuin ter grootte van een park achter Huis ten Bosch. Daar was een grote vijver en her en der stonden marmeren beelden van mannen en vrouwen zonder kleren of ze hadden uitgehouwen gewaden aan die borsten en schouders bloot lieten en overal stonden gestyleerde bloemperken en gecoiffeerde struiken. Soms liepen er ook leuke jongens doorheen in van die prachtige uniformen. Zij waren in dienst van de marechaussee en brachten me ’s avonds, als ik weer naar huis moest, naar het hek dat na acht uur op slot ging. We dweepten wat, het was een exercitie in flirten. Ze speelden met ons onder één hoedje. Zomers klommen we op het dak, op de rand rondom de koepel. Daar zaten we in onze bikini’s in de zon en de marechaussee vertelde jongens beneden die daar niets van begrepen, dat we adellijke meisjes waren. Dat we daar logeerden en dat de koningin dat goed vond. We speelden in het paleis. In de balzaal aan de grote vleugel leerde ik de vlooienmars spelen en de vader van Erica speelde spook achter de gordijnen. We bezetten kamers en belden elkaar met de huistelefoon, we zwierven door de kelders met gewelven en als het paleis opengesteld was voor publiek, verdwenen wij –altijd net in zicht van de bezoekers- zalen in die waren afgesloten met dikke, gevlochten touwen. ‘Verboden toegang’ stond erop, maar wij trokken ons er niets van aan en zorgden voor verontwaardiging en enig tumult. En elke keer weer vertelden onze handlangers dat wij op uitnodiging van de koningin in het paleis verbleven. We waren echt echt echt meisjes van adel…

Zo acuut als onze vriendschap ontsproot, zo acuut doofde hij weer. Erica was iets sneller dan ik, haar knop barstte iets eerder dan de mijne. Er kwam een jongen in beeld, enkele jaren ouder dan zij. Hij had al een auto, daar was ik nog lang niet aan toe. Jongens met auto’s vond ik mannen en mannen waren oud en eigenlijk ook wel eng. Ik deed een stapje terug. Zij begonnen uit te gaan en ze mocht ook plotseling make-up op van haar ouders. Ik nog niet van de mijne. Ik mocht ternauwernood naar jongens kijken, maar liever dat zelfs nog niet. We raakten uitgespeeld in het paleis en uitgegiecheld bovendien. Ruzie kregen we niet, we verloren elkaar gewoon in haar liefde voor hem, maar het was een pijnloze scheiding. Twee jaar lang was ik prinses geweest, nu was ik weer een gewoon burgermeisje. Ik ging terug naar het huis met het balkon en was opgetogen toen mijn vader dat rood schilderde. Zo’n leuk balkon hadden ze niet op Huis ten Bosch. Niet lang nadat de vriendschap als bij toverslag verdween, zijn Erica en haar ouders verhuisd. Het paleis werd onderworpen aan een grote opknapbeurt, want de volgende prinses stond al klaar om er te gaan wonen. Die prinses werd alleen nooit een burgermeisje, zij werd gewoon koningin. Dan waren Erica en ik toch beter af…
25 Jun, 01:41
Haar gezicht was onbeweeglijk. Voorzichtig kwam ik dichterbij en boog me over haar heen tot ik vlakbij haar was. Haar wangen waren strak gespannen, alsof ze verpakt waren in kreukloze plasticfolie. Haar lippen met de kleine verticale lijntjes erboven zagen er vreemd uit. Aan de rechterkant van haar gezicht zag ik bijna een glimlach, aan de linkerkant van haar gezicht stond haar mond verbeten. Die kant van haar gezicht zag er niet mooi uit, verried misschien nog wat van strijd en van het leven in het algemeen en ik besloot alleen nog naar haar rechter gezichtshelft te kijken. Die linkerkant leek niet op haar. Misschien op iemand van haar familie aan vaderskant, maar daar kende ik niemand van. Haar ogen waren gesloten, de blonde wimpers lagen verstild, geen trilling, geen geknipper. Ik was verbaasd door zoveel verstildheid en sereniteit, al vond ik het niet kunstig of mooi. Dat een mens zó stil kon liggen. Ik kon er met mijn pet niet bij. Ik wilde dat ze me zag en blies zacht over haar gezicht. Geen reactie. Het ging me te ver om haar aan te stoten, in haar wang te prikken of aan haar schouder te schudden. Op de één of andere manier begreep ik ook wel dat dat niet veel zin had. Het zou ongepast zijn en ik wilde –en dat werd natuurlijk ook van me verwacht- haar met respect bejegenen. Een zachte blos lag onder haar jukbeenderen. Dat moest make-up zijn, want zij had het afgeleerd te blozen. Bovendien was zij er te dood voor.

God, wat had ik de colere in. Terwijl ik verweekte in mijn door tranen doordrenkte huid en het schokken van mijn snikken mijn ribben bijna ontzette, golfde als traag, vloeibaar en heet asfalt een schuldgevoel over me heen als ik nooit tevoren had ervaren. Schuldgevoel was, zoals ik zelf altijd beweerde, de meest nutteloze emotie die je jezelf kon toestaan. Als ik maar… had ik maar… was ik maar… en het leidde tot niks, want goedmaken was voorbij, alle kansen pleite. Mijn motto om in het leven nooit ergens spijt van te hebben, verloor op het moment dat ik aan haar kist stond zijn onzinnige gewicht. Wat nou geen schuldgevoel als je iemand niet de aandacht had gegeven die ze zo ontzettend verdiende. Hoe wreed trouwens om iemand in een kist te leggen. Te klein, benauwd ook. Waarom geen comfortabel kussen om je hoofd op te vlijen, een zachte deken over je heen en misschien wat van je lievelingsboeken erbij of iets anders waar je van hield, je Perzische tapijt of je naaimachine of je trollenverzameling? Hooguit wat brieven die mensen nog even snel onder je shirtje schoven, maar zonder je leesbril op zouden die vast wel ongelezen blijven. Dood ruik je. Niet prettig. Dood is dood, geen licht in die stomme rot tunnel, geen gezweef en geen vleugels, geen hemel en geen hel, geen tussen hemel en aarde. Alweer een overtuiging aan gort. Ik kreeg trek in een borrel. Natuurlijk voelde ik me daar ook schuldig over, maar schijt, zij zou er geen moeite mee hebben als ik me nu een stuk in mijn kraag dronk. Hoopte ik. Ik voelde de armen van mijn andere zus om me heen geslagen. Levende armen. “Wat ligt ze stil, hè?” Ik voelde ook haar tranen en haar onmetelijke leed. Wie had ooit gedacht dat wij niet het eeuwige leven hadden?

Het was tegen de 30 graden, erg warm voor de tijd van het jaar. We zaten met een mannetje of 10 op een terras aan de haven. Voor ons dobberden loggers en wat Deense kottertjes op het donkere, Scheveningse water en ik snoof de geur op van de goddelijke cocktail van zout water en diesel. De mensen om me heen gaven me een goed gevoel. Misschien, nee, zeker, had dat ook te maken met al die wijn die ik inmiddels tot me genomen had. Familie en een handjevol vrienden aan een te klein tafeltje. We waren luid, lachten, brulden, we overschreeuwden ons besef van gemis, ons verlies. Vlakbij het restaurant waar zij zo graag een visje at. Misschien had ik haar daar wel voor het laatst gezien, al bijna een jaar geleden. “Ga je mee even wat eten op Scheveningen?” en natuurlijk ging ze mee en ik wed, dat we daar nog even alle familieroddels doornamen. Dat was niet erg, roddelen heeft ook zo zijn sociale nut. Ik tikte tegen mijn glas en hief het voor een toost. “Op Kate” zei ik. “Op Kate” en het leven ging verder.
Deel IV

Zijn krachttermen verdronken in de fles die ik aan zijn lippen bleef zetten. Op de één of andere manier bracht ik het op erbij te blijven zwijgen en al verspilde hij veel whisky die langs zijn bleke lippen zijn nek in liep, ik zag dat hij tegen wil en dank slikbewegingen maakte en de whisky opnam als een grijze dweil die gemorst water absorbeerde. Het duurde niet lang of de fles was leeg. De nieuwe fles stond al klaar. Ik duwde op zijn onderbuik waarin zijn volle blaas op barsten stond en hij kreunde hardop. “Laat me naar de wc gaan, ik barst uit elkaar. Kom op, je zult hier spijt van krijgen. Ik heb altijd geweten dat je keihard was, je bent zó giftig! Het venijn altijd in de staart, een echte schorpioen. Ik ben altijd goed voor je geweest. Nooit heb ik je voor een andere vrouw verlaten en wat doe jij? Ik heb je alle mogelijkheden gegeven je talenten te ontplooien en wat deed je? Niks. Nog niet eens een stofzuiger door de kamer halen. Alleen maar met jezelf bezig zijn, helemaal sinds je zus overleed. Bezig met je hart, bezig met je lijn, bezig met inkopen doen, bezig met van alles en nog wat en voor mij geen oog hebben. Je hebt me weggejaagd, JayDee!” Ik bleef zwijgen, zei alleen: “Open je mond”. Hij hield hem gesloten. Ik porde met de hals van de fles in zijn ingevallen wang. “Open”, herhaalde ik. Toen hij zijn kaken op elkaar klemde, pakte ik het mes op. Zonder te spreken greep ik zijn t-shirt en trok het strak, waarna ik er het scherpe mes in zette en het van boven tot onder open sneed. Het grijze krulhaar op zijn borst kwam tevoorschijn, zijn borstkas ging hijgend op en neer van de onderdrukte frustratie en zenuwen, zijn maag was ingevallen, zijn buik strak van de stront en de pis. In één moeite door sneed ik zijn onderbroek aan flarden en trok het onder zijn lubberende en lege billen vandaan. Naakt en kwetsbaar. Zijn ballen strak van de kou die de airco constant de kamer in blies, zijn penis gekrompen en bloedeloos er overheen gedrapeerd, zijn gereedschap onklaar gemaakt door de vernederende situatie waarin hij was terecht gekomen en ik bedacht me dat hij dan toch eindelijk zijn bondage-ervaring met mij mee maakte. “Mond open”, zei ik weer en zijn mond ging open. Ik duwde de fles erin, met hals en al. Hij dronk, hij had geen keuze.

Ik dacht aan zijn woorden “Je hebt me weggejaagd, JayDee” en wist dat het niet waar was. Ik dacht aan al die vele malen dat ik hem gezocht had, hem had aangeraakt, hem had proberen te verleiden, hem verteld had dat ik hem miste, hem gevleid had, het hem naar de zin had willen maken op welke manier dan ook en aan al die vele keren dat hij zich van me afgewend had, mijn blikken had ontweken, mij openlijk had afgewezen. Eerder zou ik geneigd zijn geweest de last en de schuld op mijn eigen schouders te laden, nu wist ik beter. Al lang voordat hij mij van mijn vrouw-zijn had ontslagen was hij vreemd gegaan. Eén keer was het uitgekomen. Tijdens ons eerste verblijf in Nederland nadat we naar Amerika waren vertrokken, had hij mij bedrogen met zijn ex-vriendin in Brabant. We waren toen al anderhalf jaar samen, maar zij wist niet van mijn bestaan en had nog hoop hem terug te vangen in haar mollige armen en in haar blonde schoot. Hij had haar mee uit eten genomen en om de rekening te vereffenen had hij zich die avond aan haar lichaam gelaafd en beweerde hij door haar verleid te zijn en “dat een zichzelf respecterende vrouw zoiets niet zou doen”. Ik was nog verliefd op hem toen, had hem de misstap vergeven en vond mezelf erg volwassen en ruimdenkend, had zijn leugens geloofd toen hij me troostte met de woorden dat hij zoiets nooit, echt nooit meer zou doen. Hij had in het vliegtuig terug naar Amerika voor de eerste keer parfum voor me gekocht, om me af te kopen misschien. Ik liet me afkopen, misschien. Al was er iets geknapt, al was er nooit meer volledig vertrouwen, ik wilde hem niet kwijt en deed alles om hem aan mij te binden. Na enkele relaties die jammerlijk en dramatisch tot een einde waren gekomen, wilde ik van deze verbintenis een succes maken. En er was voldoende potentie, we hadden het zo goed kunnen hebben samen. Ik wist dat ik hem niet had weggejaagd, ik had alleen mijn grenzen getekend, ze vaak overschreden in ons gezamenlijke belang, althans, dat dacht ik en uiteindelijk aangegeven dat hij mijn dromen als een blind paard vertrapt had. Toen ik zijn mailbox opende en las van al zijn escapades met al die vrouwen, was ik getroffen door die ene mail, van ene Rebecca. Ze had zijn kind gedragen dit jaar. Hij had –wat een verrassing- zijn verantwoordelijkheid niet genomen, haar gemaild dat hij de vader niet kon zijn. Het kind werd verloren na een zwangerschap van bijna drie maanden en ik dacht aan zijn zoons. Zijn jongste van wie hij op zijn eigen egoïstische manier hield, zijn oudste die hij verachtte. Het verloren kind zou in hem nooit een vader gevonden hebben, slechts een verwekker die hem of haar nooit in zijn armen genomen zou hebben. Het product van seksuele uitspattingen, van geilheid en weerzinwekkende orgieën met zijn moeder en nog een stuk of wat vriendinnen op een hotelkamer. Het arme bestaan van een gefrustreerde man die zichzelf had uitgeroepen tot koning, maar zonder zijn geld geen vrienden bezat, geen respect kreeg, die de afkeurende blikken van de mensen om hem heen weigerde te zien, die zonder whisky in zijn lijf geen zelfvertrouwen had. Een zielige man die tijdens mijn verblijf van een week in Nederland voor hem en Hamid hoeren had geregeld, die zelfs homoseksuele handelingen had verricht met zijn collega, terwijl hij altijd het hardst van de toren afblies van homoseksuelen uiteindelijk niets te begrijpen. Een man die neerkeek op zijn moeder, zijn zussen en zijn broer, zijn meerderen en minderen, op de hele wereld en met deze man was ik getrouwd geweest. Ik rilde van de kou en de ontsteltenis en trok de fles abrupt uit zijn mond. Zijn bovengebit schoot los en viel kletterend op het parket. Ik was niet langer geïnteresseerd in het verhaal in zijn eigen woorden, ik had alles al gelezen. Ik hoorde zijn stem, maar zijn woorden bevroren in de kille kamer, ze bereikten me niet langer. Zijn verhaal deed er niet meer toe, het had zichzelf al verteld en hij zou niets meer kunnen toevoegen aan alles wat ik die nacht te weten was gekomen. Alle andere verhalen zouden extra ballast zijn, ze waren niet meer nodig om mijn gevoel nog doder te maken dan het al was. Dus stond ik op en vouwde mijn laatste spullen op, deed ze in de koffer en sloot hem. Opgelucht zette ik mijn bagage bij de voordeur. Nog maar even…

Mijn laatste uur in Izmir was aangebroken en ik besloot die door te brengen op het balkon. Langzaam en diep ademde ik de koele buitenlucht in. Onder mij reed de eindeloze stroom auto’s voorbij en hoorde ik met een hoop bombarie een feeststoet naderen. Hoog op een paard gezeten schommelde een jongetje van een jaar of zes mee op het ritme van de stappen van het glanzende en met veren en kleurige kleden opgesierde dier. Het kind droeg een witte tulband met glanzende juwelen, een cape met gouden stiksels en een wit glanzend pak eronder. Het paard werd door een lopende begeleider aan zijn leidsels over de drukke weg geloodst door het drukke verkeer, gevolgd door enkele volgauto’s die stapvoets een stoet vormden. Uit de voorste auto klonk veel tromgeroffel en mensen hingen half uit de ramen om met luid gelach en gezang hun vrolijkheid te uiten. Eerst had ik niet geweten wat er aan de hand was, later leerde ik dat het kind net besneden was en dat dit de manier was om dit ritueel feestelijk te bekronen. Elke week kwamen er wel vier of vijf van dergelijke stoeten voorbij. De één was luxer dan de ander, maar altijd zat het prinsje op een paard, soms begeleid door auto’s, soms door open koetsjes en iedereen zag er op z’n mooist uit. Het deed me altijd denken aan Ali Baba, de beelden sloten aan bij hoe ik me die sprookjesfiguur in mijn kindertijd had voorgesteld. Ik zag de ferry vertrekken van de haven rechts van mij en het speet me licht dat ik geen voet meer aan boord zou zetten. De houten banken, de geur van diesel, het zachte trillen van de motoren, het eeuwige kopje thee uit het kleine kelkvormige glas, de warme wind door mijn haren, het was voorbij. Ik keek op mijn horloge. Tijd om te gaan. In de kamer hing inmiddels een penetrante lucht. Toon lag in zijn eigen vuil, hij had zich niet langer kunnen beheersen. Zijn tanden lagen vals te zijn onder de bank. De stank maakte dat ik me langs hem heen haastte, zonder verder nog acht op hem of zijn woorden te slaan. Ik pakte mijn tas, opende de deur, trok mijn koffer naar de gang en deed de deur achter me dicht. Alles was al gezegd.

Vanaf de bushalte aan de overkant zag ik even later drie vrouwen arriveren, kort na elkaar. Op hun bellen werd niet open gedaan. Ze raakten in gesprek. Ongetwijfeld kwamen ze er op dit punt achter dat ze dezelfde bestemming hadden en zal er verwarring zijn ontstaan. Even later kwam Hamid eraan. Hij had de sleutel. Twee herkenden hem in ieder geval, hij werd begroet met twee kussen. Even later zag ik ze samen naar binnen gaan. Tijd om er langer bij stil te staan had ik niet. Zoals afgesproken stopte mijn taxi bij de halte. De chauffeur sprong vrolijk uit zijn gammele auto, begroette mij hartelijk en zwierde mijn bagage achterin de kofferbak. Ik ging naast hem zitten en kon me eindelijk ontspannen.

©Edel

Deel III

Zijn ogen stonden verbouwereerd en hij rochelde en pruttelde gorgelende geluiden. De eerste klap had ik uitgedeeld na de zoveelste niet fysieke klap van hem. Ik voelde me best wel stoer, ook al probeerde hij me met zijn blik te domineren toen hij zich van mijn knietje hersteld had. Die blik waarmee hij me altijd liet merken dat hij ver boven me stond en waarmee hij me altijd wel weer stil kreeg. Alsof hij zeggen wilde: “Hé jonge dame, je praat voor je beurt. We komen er later wel op terug. Later, als ik mijn verhaal aan elkaar gesponnen heb. Wacht daar maar op. Misschien is het morgen zo ver, misschien over drie maanden pas, maar nu in ieder geval niet. Ik bepaal het moment en jij wacht maar af. Ik verdien hier de poen, hou jij je maar gedeisd. Ik ben belangrijk, veel belangrijker dan jij of dan wie dan ook”. Maar ik weerstond zijn blik, keek ijskoud terug naar zijn holle ogen die, toen ze zagen dat ik niet onder de indruk was, mijn blik steeds opnieuw ontweken en ik rook de zure lucht van alcohol die hij uitademde en die uit zijn poriën dampte. Het maakte dat ik erg van hem walgde, dat ik zelfs weerzin voelde voor mezelf. Alleen het idee al dat ik hem had geliefkoosd, terwijl ik nu alleen maar de neiging had om hem op straat te gooien om hem daarna met een zware auto vooruit, achteruit en weer vooruit en weer achteruit plat te walsen. Zijn huid lag doorschijnend wit over zijn botten, alleen op zijn armen en zijn gezicht zat wat kleur. Roze nota bene, de kleur waar hij geen goed woord voor over had. Een minderwaardige kleur volgens hem, krachteloos, goedkoop of “cheap” zoals hij het placht te noemen en die desondanks zo bij hem hoorde. Met elke minuut die ik met deze man doorbracht in dezelfde ruimte, groeide mijn ongeloof en verbijstering over het feit dat ik van hem gehouden had. Had! Niet meer. Dood!

“Laat me gaan, JayDee, maak me los. Ik zeg niks meer, je kan doodvallen,trut!” Hij had zich kennelijk bij elkaar geraapt en ging in de aanval. Hij wendde zijn hoofd af, sloot zijn ogen en trok dat stuurse hoofd wat ik zo goed kende van zijn buien van niet willen praten. Onbenaderbaar en ik wist het ook even niet meer. Wat nu? Het mes weer pakken en hem prikken? Maar god, wilde ik hem echt in dunne reepjes fileren? Of… tsja, wat wilde ik nou eigenlijk? Ik wilde hem laten bloeden voor alles wat hij me aangedaan had. Zijn wilde nachten in Ho-Tsji-Minh City als hij weer eens Vietnam verbleef en zijn woeste en hete nachten in Amerika met één of meerdere van zijn girlfriends, zijn bezoekjes aan men clubs in Rotterdam en zijn telefoontjes met call girls, ongeacht waar hun werkgebied lag. Zijn Turkse vriendinnen die hem probeerden te paaien om naar Istanbul of Ankara te komen, zijn sms’jes met al die vrouwen met wie hij zich getroost had als ik niet in de buurt was. Zou ik al zijn kleren in stukken knippen? Een aantrekkelijk idee. Ik moest bijna glimlachen bij een beeld van hoe hij in gehalveerde kleding de straat op moest. Leg maar uit waarom al je broeken nog maar één pijp hebben of waarom in ieder shirt zo veel gaten zaten. Of zou ik al zijn werk verbranden? Al zijn tekeningen in de fik steken, zijn hele administratie de put in? Of meteen maar helemaal zijn laptop per ongeluk in de zee laten vallen? Of… zou ik misschien systematisch al zijn bewaarde en vulgaire onthullingen bundelen en die aan alle medewerkers aan het bedrijf in Amerika doorsturen? Om ze een idee te geven wat een klootzak hij nou echt was? Hoe meer ik erover dacht, hoe minder ik wist wat mijn volgende stap zou zijn. Ik besloot dat ik een douche nodig had en stond op. Met een theedoek besloot ik zijn mond te snoeren. Hij vocht met zijn hoofd, gooide er grof geschut uit, maar ik won. Geen woord zei ik, ik was sprakeloos geworden van mijn eigen lef en wist dat ik verschrikkelijk tegen hem zou gaan schreeuwen als ik mijn mond geopend had. In de badkamer liet ik mijn kleren van me af vallen en ik stapte in het bad dat door de tijd kalkaanslagplekken was gaan vertonen. Ik mengde het water zo dat het koel aanvoelde en liet het, vermengd met mijn tranen, over me heen stromen. Mijn schouders en mijn nek deden pijn en mijn benen hadden moeite me staande te houden. Ik trilde en had daar de pest over in, want ik wilde vastberaden blijven en hem overwinnen, wraak nemen, hem het leven zuur maken. Maar terwijl ik dat allemaal wilde, voelde ik me leeg en verlaten. Ik moest in ieder geval het vliegveld bellen, een ticket regelen. Voor vandaag nog. Ik wilde weg, moest weg. Er was geen denken aan nog één nacht in dit huis door te brengen. Niet nog langer dezelfde lucht als hij inademen, niet nog langer zijn irritante stem aanhoren, niet het risico lopen hem te vermoorden. Vernederen was genoeg, dus ik trok mijn plan.

Het was een koude dag voor Turkse begrippen. Desondanks zette ik de airco aan en het duurde niet lang of het voelde onaangenaam aan in de kamer. Ik zag dat hij kippenvel kreeg op zijn roze huid en snauwde hem toe dat het tijd was om af te koelen. Hij probeerde zich los te wrikken, maar ik had mijn werk goed gedaan, hij lag vast als een huis. De theedoek liet ik nog even zitten, met de mededeling dat hij zijn mond toch niet nodig had als hij niets meer wilde zeggen. Vervolgens zei ik dat ik even weg zou zijn. Ik trok mijn jas aan en pakte mijn tas, zijn en mijn mobiele telefoon en ging naar buiten. Het was druk op straat. Het duurde even eer ik de kans zag over te steken en liep naar de boulevard aan de overkant van het appartement. Er waren niet veel vissers vandaag en ik zocht een plek uit op het muurtje aan de zeekant waar niemand zich ophield. Er stond geen wind en het water was bijna vlak als een spiegel. De ferry’s van en naar Alsancak gleden over het water en zachtjes hoorde ik hun dieselmotoren pruttelen. Dat sonore getuf maakte me wat rustiger en ik zocht het nummer van de luchthaven op in mijn mobiele telefoon en belde met Turkish Airlines. Een dame die goed Engels sprak stond me te woord en ik informeerde naar de reismogelijkheden. Het geluk was met mij. Er was nog ruimte voor de vlucht van een uur of zes die middag. Ik zou moeten overstappen op Istanbul en zou ’s avonds rond elf uur op Schiphol zijn. Mijn ticket kon ik tot anderhalf uur voor vertrek afhalen aan de balie, dus ik gaf het nummer van mijn creditcard door en hing tevreden op. Als ik om viif uur op het vliegveld wilde zijn, moest ik uiterlijk rond vier uur weg. Ik had dus nog vijf uur te gaan voordat ik uit dit miserabele leven zou vertrekken. Voordat ik terugkeerde naar huis, naar die bank waarop Toon mijn terugkomst lag af te wachten, had ik nog iets te doen. Ik opende het menu van zijn mobieltje en las nogmaals de berichten door die ik gisterenavond voor de eerste keer onder ogen had gekregen.

My love, I miss you so very. Please take me to Istanbul this weekend. Or shall I come your place? Kennelijk was Engels best een probleem voor deze dame met de naam Gülsen. Ik kon geen verzonden berichten vinden, jammer. Maar ter plekke schreef ik haar een sms. “Darling, come to my place. This afternoon at 3.45 pm. I can hardly wait. You are so sexy.” Ik drukte op send. Dat is nummer één. Hetzelfde smsje stuurde ik naar Yildiz, Ikram, Imren en Birsen. Binnen enkele minuten had ik drie keer een oké terug. Dit liep lekker. Ook Hamid stuurde ik een smsje: Hamid, due to some problems I really need you to be at my place at 3.45 pm. It is urgent. Please be in time, my friend. Ook hij stuurde snel een bevestiging. Tenslotte belde ik de taxichauffeur die me laatst half Izmir doorgereden had. Hij had me zijn kaartje gegeven toen ik hem ruim getipt had en me op het hart gedrukt hem te bellen als ik een taxi nodig had. Ik legde uit dat ik hem om vier uur nodig had om een vliegtuig te halen. Hij beloofde er te zijn. Het werd tijd om mijn laatste spullen in te pakken en keerde terug naar de overkant, naar het appartement op de eerste verdieping. Palmbomen voor het raam, een uitzicht als een ansichtkaart en een vastgebonden man op de bank.

Ik zette mijn knie op zijn borstkas en oefende wat druk uit. “Ik ga de theedoek van je gezicht halen. Waag het niet te schreeuwen of te tieren, want ik zet mijn volle gewicht op je ribben totdat ik ze hoor splijten. Aan jou de keuze.” Hij morde, maar knikte zijn hoofd ten teken dat hij me begrepen had. Ik maakte de knoop los en trok de doek uit zijn mond. Ik liet het met een vies gebaar uit mijn handen vallen. “Geef me wat te drinken, mijn mond is droog. Bitch. Wat wil je nou eigenlijk? Hou op met deze schijnvertoning, je stelt je belachelijk aan. Ik moet naar de wc.” “Hou op met je commando’s, engerd. Jij hebt je hand overspeeld, je tijd van eisen en belangrijkheid is voorbij. Je krijgt nu wat te drinken van me en in de tussentijd hou jij je stil. Ik heb een mes én harde knieën en ik zal niet schromen ze te gebruiken, dus hou je een beetje gedeisd.” In de tussentijd was ik opgestaan en had de fles whisky gepakt. Er zat niet veel meer in, maar ik had nog een dichte fles zien staan. Als je dorst hebt, moet je goed drinken. “Nee, water, geef me water, ik wil geen whisky. Come on, JayDee, doe dit niet. Je maakt alles kapot op deze manier. Laten we praten, we kunnen opnieuw proberen te….” “Hou je mond en drink. Het water is op. Je zult het met whisky moeten doen, dat kost je anders ook geen moeite” en ik zette de fles tegen zijn lippen. Hij hield ze stijf op elkaar. Maar ik haalde de fles niet weg, bleef hem tegen zijn mond drukken en uiteindelijk begon hij te drinken. Na een paar slokken proestte hij het uit. “Kutwijf!”

To be continued…